De Kievit

De kievit is een middelgrote weidevogel die veel voorkomt in Europa, vooral in open graslanden en akkers. De wetenschappelijke naam is Vanellus vanellus.

Wat voor dier is het?

De kievit is een vogel uit de plevierenfamilie. Het is een typische boerenlandvogel die je vaak ziet in weilanden en op akkers.

Uiterlijk en herkenning

De kievit is makkelijk te herkennen aan:

  • Een lange, dunne kuif op zijn kop

  • Zwart-witte veren

  • Groene en paarse metaalglans op de rug

  • Brede, ronde vleugels

  • Korte snavel en relatief lange poten

In de vlucht vallen de zwart-witte ondervleugels sterk op. Het mannetje en vrouwtje lijken veel op elkaar, al heeft het mannetje vaak een iets langere kuif.

De naam “kievit” komt van zijn roep: een helder en herkenbaar “kie-wiet” geluid, dat je vooral in het voorjaar veel hoort.

Voeding

De kievit leeft vooral van dierlijk voedsel dat hij op en in de bodem vindt. Hij loopt rustig door het gras en prikt met zijn snavel in de grond om prooien te zoeken, vooral in vochtige weilanden.

Belangrijkste voedsel:

  • Regenwormen (heel belangrijk in het voorjaar)

  • Insecten zoals kevers, vliegen en mieren

  • Larven en rupsen

  • Spinnen

  • Kleine slakjes

In de winter en het vroege voorjaar eet hij soms ook zaden en kleine plantendelen, maar dierlijk voedsel blijft het belangrijkst. Tijdens de broedtijd heeft de kievit veel eiwitrijk voedsel nodig om sterk te blijven en om de jongen te laten groeien.

De jongen eten vanaf het begin zelf kleine insecten en larven. Hoe meer insecten er in het gras zitten, hoe groter de kans dat ze overleven.

Broeden en voortplanting

Het broedseizoen begint meestal in maart en loopt door tot in juni.

De kievit broedt op de grond in open landschap. Het nest is eenvoudig:

  • Een ondiep kuiltje in kort gras

  • Op een akker

  • Of op een kale plek tussen het gras

Het mannetje maakt vaak meerdere kuiltjes, waarna het vrouwtje er één kiest. Het nest wordt bekleed met grassprietjes en droog plantenmateriaal.

Legsel

  • Meestal 3 tot 4 eieren

  • De eieren zijn bruin met donkere vlekken en daardoor goed gecamoufleerd

Broedduur

  • Ongeveer 26 tot 28 dagen

  • Het vrouwtje broedt het meest

  • Het mannetje helpt mee en bewaakt het territorium

De ouders verdedigen het nest fel. Ze vliegen luid roepend rond en doen soms alsof ze een gebroken vleugel hebben om roofdieren weg te lokken.

Als een nest verloren gaat door maaien of een roofdier, kan het vrouwtje opnieuw eieren leggen. Dat gebeurt soms meerdere keren in één seizoen.

De jongen

De jongen zijn nestvlieders:

  • Ze kunnen kort na het uitkomen al lopen

  • Ze verlaten snel het nest

  • Ze zoeken zelf voedsel

De ouders beschermen hen en waarschuwen bij gevaar. Als er een roofdier in de buurt is, drukken de jongen zich plat tegen de grond zodat ze bijna niet opvallen.

Na ongeveer 4 tot 5 weken zijn de vleugels genoeg gegroeid en kunnen de jongen vliegen. Tot die tijd zijn ze kwetsbaar.

Belangrijke gevaren:

  • Maaien van graslanden

  • Landbouwwerkzaamheden

  • Roofdieren zoals kraaien en vossen

  • Slecht weer en voedseltekort

Leefgebied

De kievit leeft vooral in open landschap, zoals:

  • Graslanden

  • Akkers

  • Boerenland met korte begroeiing

Hij houdt van plekken met een zachte, vochtige bodem waar veel insecten en wormen te vinden zijn. Tijdens de broedtijd heeft hij graag kort gras met hier en daar kale plekken.

Buiten de broedtijd zie je kieviten vaak in groepen in open weilanden, op akkers of in ondiep water.

Voortplanting en gedrag

In het voorjaar voert het mannetje spectaculaire baltsvluchten uit. Hij vliegt hoog de lucht in en maakt duikvluchten en buitelingen. Daarbij laat hij zijn kenmerkende roep horen en klapperen zijn vleugels hoorbaar. Zo probeert hij een vrouwtje aan te trekken en zijn territorium te verdedigen.

Een paartje blijft meestal één broedseizoen samen. In een goed jaar kunnen ze meerdere legsels krijgen als eerdere nesten mislukken.

Levensduur en trekgedrag

Een kievit kan in het wild meer dan 10 jaar oud worden, al halen veel jonge vogels dat niet.

Na het broedseizoen trekken veel kieviten rond in groepen op zoek naar voedsel. Een deel blijft in Nederland, vooral in zachte winters. Andere trekken naar Zuidwest-Europa als de grond hier bevriest en er minder voedsel te vinden is.

Bedreigingen

De kievit is de laatste tientallen jaren achteruitgegaan. Belangrijke oorzaken zijn:

  • Intensieve landbouw

  • Vroeg en vaak maaien

  • Lage waterstanden in weilanden

  • Minder insecten

  • Verlies van open leefgebied

Daardoor is een landschap met natte graslanden, veel insecten en rust erg belangrijk voor het voortbestaan van de kievit.

Kort samengevat

De kievit is een opvallende zwart-witte weidevogel met een kuif en brede vleugels. Hij leeft in open graslanden en akkers, eet vooral wormen en insecten en broedt op de grond. De jongen kunnen snel lopen maar pas na ongeveer een maand vliegen. Door veranderingen in de landbouw is de soort in aantal afgenomen.

De wulp

De wulp (wetenschappelijke naam Numenius arquata) is de grootste steltloper van Europa. Het is een opvallende weide- en moerasvogel met een zeer lange, naar beneden gebogen snavel. In Nederland is de wulp een bekende maar steeds zeldzamere broedvogel.

Uiterlijk en herkenning

De wulp is gemakkelijk te herkennen aan:

  • Een lange, sterk gebogen snavel (vooral bij het vrouwtje extra lang)

  • Bruin gevlekt verenkleed

  • Lange poten

  • Grote vleugelspanwijdte (ongeveer 80–100 cm)

In de vlucht valt de witte stuit (onderrug) goed op.

Zijn roep is luid en melancholisch: een lang, golvend “koer-lie” geluid dat je vooral in het voorjaar en ’s avonds hoort.

Voeding

De wulp eet vooral kleine dieren die hij met zijn lange snavel uit de bodem haalt.

Belangrijk voedsel:

  • Regenwormen

  • Insecten en hun larven

  • Kevers

  • Spinnen

  • Slakken

  • In kustgebieden ook schelpdieren en kreeftachtigen

Met zijn lange snavel kan hij diep in zachte grond prikken. Op graslanden zoekt hij vooral wormen. In getijdengebieden en kwelders zoekt hij voedsel in modderige bodems.

Jonge wulpen eten in het begin vooral kleine insecten en larven die ze zelf van de grond pikken.

Broeden en voortplanting

Het broedseizoen begint meestal in april en loopt tot juni.

De wulp maakt een eenvoudig nest op de grond:

  • In open grasland

  • Op heide

  • In veen- of moerasgebieden

Het nest is een ondiep kuiltje, bekleed met wat gras en plantenmateriaal.

Legsel

  • Meestal 3 tot 4 eieren

  • Goed gecamoufleerd met bruine en donkere vlekken

Broedduur

  • Ongeveer 27 tot 29 dagen

  • Beide ouders broeden

De ouders verdedigen hun nest fel. Ze waarschuwen luid bij gevaar en kunnen schijnaanvallen uitvoeren.

De jongen

De jongen zijn, net als bij de kievit, nestvlieders:

  • Ze verlaten snel het nest

  • Kunnen vrijwel direct lopen

  • Zoeken zelf voedsel

Ze worden nog wel beschermd en begeleid door de ouders.

Na ongeveer 5 tot 6 weken kunnen jonge wulpen vliegen. Tot die tijd zijn ze erg kwetsbaar voor roofdieren en landbouwactiviteiten.

Leefgebied

De wulp leeft in:

  • Open graslanden

  • Heidegebieden

  • Veenweiden

  • Kustgebieden en kwelders

In Nederland broedt hij vooral in rustige, open gebieden met weinig verstoring.

In de winter trekken veel Nederlandse wulpen naar Zuidwest-Europa of blijven in kustgebieden. In die tijd zie je ze vaak in groepen.

Bolwerk in Nederland

Een belangrijk broedgebied van de wulp is het Staphorsterveld.

Dit gebied staat bekend als een bolwerk voor de soort. Jaarlijks broeden daar ongeveer 70 tot 80 broedparen. Het open weide- en veenlandschap met relatief veel rust en geschikt grasland maakt het gebied belangrijk voor het voortbestaan van de wulp in Nederland.

Bescherming en bedreigingen

De wulp staat in Nederland op de Rode Lijst. De belangrijkste bedreigingen zijn:

  • Intensieve landbouw

  • Verlaging van het waterpeil

  • Vroeg maaien

  • Predatie

  • Verlies van open leefgebied

Omdat de wulp laat volwassen wordt en weinig jongen grootbrengt, herstelt de populatie zich langzaam.

Kort samengevat

De wulp is een grote, bruine steltloper met een lange gebogen snavel. Hij leeft in open graslanden, heide en kustgebieden. Hij broedt op de grond en zijn jongen kunnen snel lopen maar pas na enkele weken vliegen. Het Staphorsterveld is één van de belangrijkste broedgebieden van Nederland, met jaarlijks 70–80 broedparen.

De grutto

De grutto is een middelgrote weidevogel die vooral voorkomt in open graslanden en natte weilanden. De wetenschappelijke naam is Limosa limosa. Het is één van de bekendste vogels van het boerenland en zelfs de nationale vogel van Nederland.

Uiterlijk en herkenning

De grutto is goed te herkennen aan:

  • Lange poten

  • Een lange, rechte snavel (licht omhoog wijzend)

  • Bruin gevlekt verenkleed

  • In het voorjaar een opvallende roestbruine borst en hals

  • Zwart-witte vleugels die in de vlucht duidelijk zichtbaar zijn

Hij is iets slanker gebouwd dan de kievit en heeft een rustige, statige manier van lopen.

Zijn roep klinkt als een hard en duidelijk “grút-to, grút-to”, waar hij ook zijn naam aan te danken heeft. Vooral in het voorjaar is dit geluid vaak te horen boven de weilanden.

Voeding

De grutto eet vooral kleine dieren die hij met zijn lange snavel uit de bodem haalt. Hij zoekt voedsel in zachte, vochtige grond waar veel leven in zit.

Belangrijkste voedsel:

  • Regenwormen (heel belangrijk, vooral in het voorjaar)

  • Insecten zoals kevers en vliegen

  • Larven

  • Spinnen

  • Kleine slakjes

In natte weilanden steekt hij zijn snavel diep in de grond om wormen te vinden. In ondiep water pikt hij insecten van de bodem of van het wateroppervlak.

De jongen eten vooral kleine insecten en larven die ze zelf uit het gras en van de grond pikken. Ze hebben veel eiwitrijk voedsel nodig om snel te groeien.

Broeden en voortplanting

Het broedseizoen begint meestal in april en loopt door tot in juni.

De grutto broedt op de grond in open grasland. Het nest is eenvoudig:

  • Een ondiep kuiltje in het gras

  • Bekleed met droge grassprietjes en plantenmateriaal

Legsel

  • Meestal 3 tot 4 eieren

  • De eieren zijn bruin met donkere vlekken, waardoor ze goed gecamoufleerd zijn

Broedduur

  • Ongeveer 22 tot 24 dagen

  • Beide ouders broeden om de beurt

Tijdens de broedtijd verdedigen de ouders hun nest fel. Ze vliegen luid roepend rond boven indringers en proberen roofdieren weg te jagen.

Als een nest verloren gaat door maaien of predatie, kan een grutto soms opnieuw eieren leggen.

De jongen

De jongen zijn nestvlieders, net als bij de kievit en de wulp:

  • Ze kunnen kort na het uitkomen al lopen

  • Ze verlaten snel het nest

  • Ze zoeken zelf voedsel

De ouders beschermen hen en waarschuwen bij gevaar. De kuikens drukken zich bij dreiging plat tegen de grond zodat ze bijna niet opvallen.

Na ongeveer 4 tot 6 weken kunnen jonge grutto’s vliegen. Tot die tijd zijn ze erg kwetsbaar.

Belangrijke gevaren in deze periode:

  • Maaien van graslanden

  • Roofdieren zoals kraaien en vossen

  • Slecht weer en voedseltekort

Leefgebied

De grutto leeft vooral in:

  • Natte graslanden

  • Veenweidegebieden

  • Open weilanden met een hoog waterpeil

Hij houdt van gebieden met:

  • Veel insecten

  • Zachte bodem

  • Rust en weinig verstoring

Na het broedseizoen trekken veel grutto’s weg. Ze overwinteren vaak in Zuid-Europa en zelfs in West-Afrika. In het voorjaar keren ze terug naar de broedgebieden.

Voortplanting en gedrag

In het voorjaar verdedigt het mannetje een eigen territorium. Hij vliegt dan laag over het land en roept luid om een vrouwtje aan te trekken.

Een paartje blijft meestal één broedseizoen samen. In een goed jaar kunnen ze één of soms twee legsels grootbrengen.

Grutto’s zijn echte groepsvogels buiten de broedtijd. In de nazomer verzamelen ze zich in groepen voordat ze wegtrekken.

Levensverwachting en bedreigingen

Een grutto kan in het wild meer dan 10 jaar oud worden, maar veel jongen halen hun eerste jaar niet.

Belangrijke bedreigingen zijn:

  • Intensieve landbouw

  • Vroeg en vaak maaien

  • Lage waterstanden in weilanden

  • Minder insecten

  • Predatie

Daardoor is de grutto in aantal sterk achteruitgegaan. Bescherming van natte, bloemrijke graslanden is daarom erg belangrijk voor het voortbestaan van deze soort.

Kort samengevat

De grutto is een kenmerkende weidevogel met lange poten en een lange snavel. Hij leeft in natte graslanden, broedt op de grond en eet vooral wormen en insecten. De jongen kunnen snel lopen maar pas na enkele weken vliegen. Door veranderingen in de landbouw is de soort achteruitgegaan, waardoor goede weidegebieden van groot belang zijn.

De tureluur

De tureluur is een slanke weidevogel en steltloper die veel voorkomt in natte graslanden, moerassen en langs de kust. De wetenschappelijke naam is Tringa totanus. Het is een typische vogel van open, natte gebieden en hoort bij de bekendste weidevogels van Nederland.

Uiterlijk en herkenning

De tureluur is goed te herkennen aan:

  • Lange, fel oranje-rode poten

  • Een slanke, rechte snavel (rood met een donkere punt)

  • Bruin gevlekt verenkleed

  • Witte onderkant

  • In de vlucht een duidelijke witte achterrand op de vleugels

Hij is kleiner en slanker dan de grutto en heeft een meer sierlijke bouw.

Zijn naam komt van zijn roep: een luid en snel “tjuu-tjuu-tjuu”. Vooral in het voorjaar laat hij zich veel horen en vliegt hij vaak alarmerend rond boven zijn territorium.

Voeding

De tureluur eet vooral kleine dieren die hij op en in de bodem vindt. Hij zoekt voedsel in natte weilanden, modderige oevers en ondiep water.

Belangrijkste voedsel:

  • Insecten en larven

  • Kevers

  • Regenwormen

  • Spinnen

  • Kleine slakken

Langs de kust eet hij ook:

  • Kleine kreeftachtigen

  • Wormen uit de modder

Hij loopt rustig rond en pikt voedsel van de grond of uit het water. Met zijn snavel kan hij in zachte modder prikken om prooien te vinden.

De jongen eten vooral kleine insecten en larven die ze zelf uit het gras en van de bodem pikken.

Broeden en voortplanting

Het broedseizoen begint meestal in april en loopt tot in juni.

De tureluur broedt op de grond in open, natte gebieden:

  • Vochtige graslanden

  • Veenweiden

  • Kwelders langs de kust

  • Natte natuurgebieden

Het nest is eenvoudig:

  • Een ondiep kuiltje in het gras

  • Bekleed met wat droog gras en plantenresten

Legsel

  • Meestal 3 tot 4 eieren

  • Bruin met donkere vlekken, waardoor ze goed opgaan in de omgeving

Broedduur

  • Ongeveer 23 tot 25 dagen

  • Beide ouders broeden om de beurt

De ouders verdedigen hun nest fel. Ze vliegen luid roepend boven indringers en proberen roofdieren weg te jagen door dichtbij te blijven en veel lawaai te maken.

De jongen

De jongen zijn nestvlieders:

  • Ze kunnen kort na het uitkomen al lopen

  • Ze verlaten snel het nest

  • Ze zoeken zelf voedsel

De ouders beschermen hen en waarschuwen bij gevaar. Bij dreiging drukken de jongen zich plat tegen de grond, waardoor ze bijna niet te zien zijn.

Na ongeveer 4 tot 5 weken kunnen jonge tureluurs vliegen. Tot die tijd zijn ze erg kwetsbaar.

Belangrijke gevaren:

  • Maaien van graslanden

  • Roofdieren zoals kraaien en vossen

  • Slecht weer en voedseltekort

Leefgebied

De tureluur leeft vooral in natte, open gebieden zoals:

  • Vochtige weilanden

  • Veenweidegebieden

  • Moerassen

  • Slootkanten en plasdras-gebieden

  • Kustgebieden en kwelders

Hij houdt van plekken met een zachte bodem en ondiep water, omdat daar veel voedsel te vinden is.

Na het broedseizoen trekken veel tureluurs naar de kust. In de winter zie je ze vaak in groepen op slikken, schorren en modderige oevers.

Voortplanting en gedrag

In het voorjaar verdedigt het mannetje een eigen territorium. Hij vliegt dan veel rond en roept luid om een vrouwtje aan te trekken en andere vogels weg te jagen.

Een paartje blijft meestal één broedseizoen samen. Als een nest verloren gaat, kan het vrouwtje soms opnieuw eieren leggen.

Tureluurs zijn opvallend waakzaam. Bij gevaar slaan ze snel alarm en waarschuwen ook andere vogels in de buurt.

Levensduur en trekgedrag

De tureluur kan in het wild meerdere jaren oud worden. Na het broedseizoen trekken veel vogels weg uit het binnenland.

  • Een deel overwintert langs de Nederlandse kust

  • Andere trekken naar Zuid-Europa of Afrika

Ze verzamelen zich in de nazomer vaak in groepen voordat ze vertrekken.

Bedreigingen

Net als andere weidevogels is de tureluur achteruitgegaan door veranderingen in het landschap.

Belangrijke oorzaken:

  • Intensieve landbouw

  • Verlaging van het waterpeil

  • Vroeg maaien

  • Minder insecten

  • Verlies van natte graslanden

Een nat, open landschap met veel rust en voedsel is daarom belangrijk voor het voortbestaan van de tureluur.

Kort samengevat

De tureluur is een slanke weidevogel met opvallend rode poten en een rechte snavel. Hij leeft in natte graslanden en langs de kust, eet vooral insecten en wormen en broedt op de grond. De jongen kunnen snel lopen maar pas na ongeveer een maand vliegen. Net als andere weidevogels heeft hij het moeilijk door veranderingen in de landbouw en het landschap.

De scholekster

De scholekster is een opvallende zwart-witte steltloper met een lange, fel oranje snavel. De wetenschappelijke naam is Haematopus ostralegus. Het is een bekende vogel van de Nederlandse kust, maar hij broedt ook steeds vaker in weilanden en zelfs op platte daken in dorpen en steden in Nederland.

Uiterlijk en herkenning

De scholekster is gemakkelijk te herkennen aan:

  • Zwart verenkleed op kop, rug en borst

  • Witte buik

  • Lange, rechte, fel oranje snavel

  • Roze poten

  • In de vlucht een duidelijke witte vleugelstreep

Hij is ongeveer zo groot als een kraai, maar slanker gebouwd.

Zijn roep is luid en schel, vaak een snel herhaald “tepiet-tepiet”. Vooral in het voorjaar maken ze veel geluid als ze hun nest verdedigen.

Voeding

De scholekster leeft vooral van dieren die hij met zijn sterke snavel kan openbreken of uit de bodem kan halen.

Langs de kust eet hij vooral:

  • Mosselen

  • Kokkels

  • Wormen

  • Kleine schelpdieren

In het binnenland, in weilanden en akkers, eet hij meer:

  • Regenwormen

  • Insecten en larven

  • Kevers

Hij gebruikt zijn snavel op twee manieren:

  • Om in zachte grond te prikken naar wormen

  • Om schelpen open te wrikken op het strand

De jongen eten kleine insecten en wormen die ze zelf van de grond pikken.

Broeden en voortplanting

Het broedseizoen begint meestal in april en kan doorgaan tot in juni.

De scholekster broedt op de grond in open gebieden, zoals:

  • Kustgebieden en stranden

  • Graslanden

  • Akkers

  • Grindvelden

  • Platte daken (steeds vaker)

Het nest is heel eenvoudig:

  • Een ondiep kuiltje

  • Soms bekleed met schelpjes, steentjes of gras

Legsel

  • Meestal 2 tot 4 eieren

  • De eieren hebben een schutkleur: lichtbruin met donkere vlekken

Broedduur

  • Ongeveer 24 tot 27 dagen

  • Beide ouders broeden om de beurt

De ouders verdedigen hun nest fel. Ze maken veel lawaai en vliegen laag over indringers om ze weg te jagen.

De jongen

De jongen zijn nestvlieders:

  • Ze kunnen kort na het uitkomen al lopen

  • Ze verlaten snel het nest

  • Ze zoeken zelf voedsel

De ouders blijven in de buurt om te beschermen en waarschuwen bij gevaar. De jongen drukken zich plat op de grond als er een roofdier aankomt.

Na ongeveer 5 tot 6 weken kunnen jonge scholeksters vliegen. Tot die tijd zijn ze kwetsbaar.

Belangrijke gevaren:

  • Roofdieren zoals kraaien en vossen

  • Maaien en landbouwactiviteiten

  • Slecht weer en voedseltekort

Leefgebied

De scholekster komt voor in verschillende soorten open gebieden:

Langs de kust:

  • Stranden

  • Waddengebieden

  • Kwelders

  • Slikken

In het binnenland:

  • Weilanden

  • Akkers

  • Open graslanden

Tegenwoordig broeden scholeksters ook vaak op platte daken in dorpen en steden, omdat die veilig zijn voor roofdieren.

Voortplanting en gedrag

In het voorjaar vormen scholeksters paartjes die vaak jarenlang bij elkaar blijven. Ze keren elk jaar terug naar dezelfde broedplek.

Het mannetje verdedigt een territorium en maakt veel lawaai om andere vogels weg te jagen. Tijdens de balts laten ze elkaar het nestkuiltje zien en lopen ze samen rond in het gebied.

Buiten de broedtijd leven scholeksters vaak in groepen, vooral langs de kust waar veel voedsel te vinden is.

Trekgedrag

Een deel van de scholeksters blijft het hele jaar in Nederland, vooral langs de kust. Andere vogels trekken in de winter naar:

  • Zuid-Engeland

  • Frankrijk

  • Spanje

In de winter verzamelen ze zich vaak in grote groepen op zandplaten en slikgebieden.

Levensduur en bedreigingen

Scholeksters kunnen vrij oud worden. Sommige worden meer dan 20 jaar.

Toch hebben ze het moeilijker gekregen door:

  • Minder voedsel (zoals schelpdieren)

  • Intensieve landbouw in het binnenland

  • Verstoring op stranden

  • Predatie van eieren en jongen

Vooral het grootbrengen van jongen lukt vaak minder goed dan vroeger.

Kort samengevat

De scholekster is een zwart-witte steltloper met een opvallende oranje snavel. Hij leeft langs de kust en in weilanden, eet wormen en schelpdieren en broedt op de grond of op daken. De jongen kunnen snel lopen maar pas na enkele weken vliegen. Het is een sterke en luidruchtige vogel die zijn nest fel verdedigt.